|
|
![]() |
In Nederland komen de volgende rassen heideschapen voor: Drents, Veluws en Kempisch heideschaap, Schoonebeker en Mergellandschaap.
Het weinig voorkomende oude type Drents Heideschaap heeft een ranke en lange bouw, zodat ze zich gemakkelijk kan bewegen in minder toegankelijke natuurterreinen. De bovenbouw is sterk en recht. Het beenwerk is rank en hard, met droge (pezige) gewrichten. Het Drents Heideschaap is een vrij klein schaap dat nog dicht bij de natuur staat. Het heeft weinig zorg nodig en kent een hoge mate van zelfredzaamheid. Met haar vaste verzorger bouwt het doorgaans een vertrouwelijke band op.
De wol bestaat uit drie soorten vezels: de kortfijne onderwol, de lange harige vezel en de zogenaamde kemp (= dikke holle vezel). De vacht is vrij lang, sluik en afhangend. De wolopbrengst is 1 tot 2 kg per dier.
De ooien zijn horenloos, dragen stikken of grotere hoorns. De zijn dan schuin naar achteren en naar buiten gericht en al dan niet gebogen. De rammen zijn altijd gehoornd. De horens moeten vrij van de kop staan en ruim spiralen. Hierdoor krijgen de oren voldoende ruimte. Het oude type Drents Heideschaap werpt meestal 1 lam, maar bij betere voeding zijn tweelingen geen uitzondering. Het aflammeren gaat makkelijk en de moederzorg is uitstekend. (bron: Nederlandse Fokkersvereniging het Drentse Heideschaap op www.drentsheideschaap.nl)
De Schoonebeeker is het grootste heideschaap in Nederland. Kenmerkend is de hoogbenigheid en de lengte in de romp. Het beenwerk is sterk en droog, ook rond de gewrichten (pezig). De ruglijn is lang en recht. Beide geslachten zijn ongehoornd en vertonen een zogenaamde Romeinse neus. De kop is lang en smal met een enigszins brede muil. De oren zijn groot en hoog aan de kop geplaatst. Ze staan iets opzij en zijn naar attent voren gericht. De kop- en pootbeharing is kort en glanzend. Kop en poten zijn vrij van wol. De staart is bewold en reikt tot beneden de hak. De hals is lang en de kop wordt hoog gedragen.
De dieren worden vrijwel altijd geboren met scherpe lichtdonker contrasten. Alle kleuren en aftekeningen zijn mogelijk, waaronder smodde, bont, donkervos, wit, zwartbont, zwartbles en zwart. Op kop en poten blijven deze kleuren zichtbaar als de dieren ouder worden. De vachtkleur is grauwwit of zwart. Soms zijn donker gekleurde vlakken in de uitgegroeide wol zichtbaar. Vaak zijn de kraag en de slab donkerder dan de rest van de vacht. Aan de kleur of aftekening wordt verder geen waarde toegekend.
Ooien werpen vaak eenlingen, maar tweelingen vormen zeker geen uitzondering. Normaliter verlopen geboortes probleemloos en is de moederzorg uitstekend te noemen. Bij een stabiele sobere voeding kan het lichaamsgewicht van ooien oplopen tot circa 50 kg en dat van de rammen tot circa 80 kg. Dit is mede afhankelijk van de wijze waarop ze gehouden worden. (bron: Nederlandse Fokkersvereniging het Drentse Heideschaap op www.drentsheideschaap.nl)
In 1999 is het Stamboek voor het Veluws Heideschaap opgericht. Verspreid over 9 kuddes zijn er weer zo'n 1300 Veluwse Heideschapen in Nederland. (bron: Stichting Rhedense Schaapskudde op www.schaapskudde.nl)
De kop is lang, smal en onbewold en glanzend behaard tot achter de oren, heeft een weinig verheven neus en een plat voorhoofd. De neusspiegel is minder roze dan bij het Veluwse Schaap. De kop is evenals de poten meestal geheel wit van kleur, maar soms ook bruin of gespikkeld. De ooien zijn altijd ongehoornd, de rammen doorgaans ook. De wol van het Kempische Heideschaap is bijna helemaal
wit, tamelijk fijn, korter en fijner dan van het Veluwse Heideschaap en het
Mergellandschaap, er valt ook geen scheiding in. De wolopbrengst is gemiddeld 3
kg. (bron: Vereniging Stamboek Het Kempische Heideschaap op www.kempischheideschaap.nl )
Het Mergellandschaap vindt haar oorsprong op de kalkrijke mergellandgronden
in Zuid-Limburg en België.
Het is een groot en ongehoornd schaap. De kop is lang en slank, wigvormig en
gevlekt. Ook voskleurige koppen (zgn. 'voesköp') komen voor. Het neusbeen is
gebogen, de neusspiegel is gepigmenteerd. De romp is lang en smal. De poten
zijn gevlekt, de hoefjes zijn donker. De staart is grof bewold en lang, tot
aan de hak of langer, het uiteinde soms gekruld.
De wol is lang en golvend, - nooit gespiraliseerd -, kleur wit/ecru, soms zwart. Jonge ooien werpen meestal één lam, oudere ooien vaak twee. ( bron: Stichting Zeldzame Huisdierrassen op www.szh.nl )
|